De zin en onzin van een gedragsmatige benadering

Op 25 augustus 2017 was er in het programma Nieuws en Co een interview met Martin Appelo, psycholoog en gedragstherapeut. Hierin werd gesteld dat we allemaal aan de cognitieve antidepressiva zijn en een vertekening hebben van de werkelijkheid. We worden continue door het brein voor de gek gehouden. Angsten worden dan ook irreëel genoemd.

Mensen met een depressieve stoornis liegen zich minder voor en kijken objectiever naar de werkelijkheid, aldus Appelo. Je zou denken dat we dan beter met z’n allen een goede depressieve stoornis kunnen gaan ontwikkelen, maar dat is ook niet de bedoeling. Hij geeft aan dat als we piekeren, depressief of angstig zijn, de illusie niet meer werkt en we naar de therapeut moeten om het functioneel zelfbedrog door oefening te herstellen. Daarna kunnen we de wereld weer gaan zien door een roze bril.

Dat de mens vergeleken zou kunnen worden in termen van het lichaam als “automaat”, zien we al bij de Duitse fysiologische psychologie, de Angelsaksische dierpsychologie en de Russische neuropsychologie als uitingen van een demonstratieve wetenschapsfilosofie die aangegeven is door Descartes en De la Mettrie.

Toch is er vanuit dezelfde gedragsmatige benadering een probleem met die werkelijkheid want cognitief wetenschapper Donald Hoffman én Senior Lecturer in de filosofie aan de Universiteit van Notre Dame, Laura D’Olimpio, zeggen beiden dat de wereld waarin we denken dat we leven niets meer is dan een computerachtige simulatie.

De filosoof Hilary Putnam stelde de beroemde versie van het hersenen-in-een-vat gedachte-experiment voor in zijn boek, Reden, Waarheid en geschiedenis (1981) wat in wezen een bijgewerkte versie is van de Franse filosoof René Descartes notie van de Evil Genius uit zijn Meditaties over de eerste filosofie (1641).

Als we de hersenen in een vat zouden stoppen verwerken ze dezelfde signalen en impulsen. Omdat deze signalen de enige vorm van interactie met de omgeving zijn, is het niet mogelijk om te bepalen of de hersenen zich in een hoofd of een vat bevinden. Als ze echter in een vat zitten en we sluiten de zenuwuiteinden aan op een computer die dezelfde impulsen geeft als de “normale” werkelijkheid, ontstaat er een gesimuleerde virtuele wereld, en zijn gedachten onwaar. Vanwege die situatie kunnen we nooit goede redenen hebben om te denken wat we denken, aangezien we niet zeker weten of het waar is.

Vanuit het uitgangpunt van Hofman en D’Olimpio moeten we concluderen dat ook mensen met een depressieve stoornis de werkelijkheid niet kunnen zien, nog los van het feit dat ze cognitief sterk afstand van zichzelf (wat dat in de gedragstherapie dan ook mag zijn) moeten nemen om “objectief” te kunnen zijn. Dat lijkt me ook een lastige situatie bij een depressieve stoornis.

De sterkste bewering die terloops tijdens het interview gemaakt werd, was de opmerking dat je “onbewust” niet meer mag gebruiken omdat het “psychoanalytisch” is. Er moet gebruik worden gemaakt van het woord “impliciete gedachten”.

Wie bepaalt nu eigenlijk wat er wel of niet gebruikt mag worden? “Psychoanalytisch” hoort bij Freud en deze maakt deel uit van de dieptepsychologie in zijn algemeenheid. Binnen de dieptepsychologie bestaat in ieder geval het streven de mens als mens te zien en niet als een machine die je anders in moet stellen, als een dier dat je africht om truckjes te leren of als een wandelend hoofd waarin je onderdelen probeert te repareren.

Er bestaat zoiets als beroepsblindheid of kokervisie, maar er zijn zeer veel onderzoeken gedaan naar het effect van psychodynamische en psychoanalytische behandelingen, waaruit blijkt dat ze zelf vaak beter scoren dan de gedragstherapie. De American Psychological Association heeft daarom in 2012 de Recognition of Psychotherapy Effectiveness uitgebracht, waarin al deze onderzoeken vermeld worden.

Daarnaast wordt er in het interview wel gesproken over “dissociatie” in de vorm van dissociatief fenomeen, afgesplitst van de feiten en dissociatieve stoornis. Dit stamt echter af van de Franse psychiater Pierre Janet en daarmee wordt het dieptepsychologisch gebruikt en niet neuropsychologisch, want dan zou het moeten gaan over onderzoekstechnieken om vast te stellen welke hersengebieden betrokken zijn bij specifieke gedragsstoornissen.

“Onbewust” psychoanalytisch gezien is niet te vertalen naar impliciete gedachten. Het onbewuste wordt gezien als het geheel van onbewuste psychische processen. Ook wordt het gebruikt in de betekenis van verdrongen delen (trauma’s) die vanwege de pijnlijke situaties buiten het (cognitief)bewustzijn zijn geplaatst.

We kennen binnen de neurowetenschap een kortetermijngeheugen en een langetermijn- geheugen. Het kortetermijngeheugen wordt ook wel werkgeheugen genoemd.

Binnen het langetermijngeheugen kennen we:

  1. het declaratieve of expliciete geheugen. Hiermee kunnen we kennis (beelden, feiten, een gevoel e.d.) oproepen in ons bewustzijn (ervarings- en waarnemingsfunctie). Een herinnering is bijvoorbeeld een gedachte of beeld uit het verleden dat in ons geheugen bewust kan worden opgeroepen.
  2. het niet-declaratieve of impliciete geheugen. We zijn ons niet bewust van de kennis die daarin is opgeslagen.

Bij impliciet geheugen hebben we het dus over de laatste. Het woord kennis is hier belangrijk, omdat kennis gaat over dat wat geweten en toegepast wordt. Het gaat over leren van vaardigheden, reageren op bepaalde stimulus en conditionering.

De cognitieve gedragstherapie en de neurowetenschappen houden zich bezig met gedrag, gedachten en aspecten van het zenuwstelsel en hersenen. De dieptepsychologie houdt zich bezig met het wezen van de mens en hetgeen de gedragingen, gedachten en functies aanstuurt. Laten we elkaar niet gaan vertellen wat wel of niet als terminologie gebruikt mag worden!

Dr. Harry A.J. Rump MEd

29 augustus 2017

 

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *